Dorpsarchief van Easterwierrum

Gerbada

Er zijn van die erven die een onweerstaanbare aantrekkingskracht op de beschouwer kunnen hebben. Zo’n erf is dat van de boerderij op Tsjerkebuorren 5 in Easterwierrum (vanouds, dat 5 is te zeggen vanaf 1640, stem 1). Het is groot, heeft een oude oprijlaan en er staat een monumentale boerderij op. Er is iets van vroegere grootheid bewaard. Ook minder imposante erven kunnen dat trouwens hebben, het gaat er maar om of de tijd even stil lijkt te hebben gestaan.1


klik op de afbeelding(en) voor een vergroting


Op weg naar Tsjerkebuorren, zicht op Gerbada (ca. 1957)

Op weg naar Tsjerkebuorren, zicht op Gerbada (ca. 1957)


Samenvatting en terugblik

De voornaamheid van het erf valt af te lezen uit zijn geschiedenis, die teruggaat tot in het begin van de vijftiende eeuw. Dat is voor een erf heel vroeg. Maar het is ongetwijfeld nog ouder. Toch is het niet oeroud, want het ligt naast de terp, niet erop, en dat wijst op verplaatsing vanaf de terp naar buiten. De boerderijen hadden meer ruimte nodig toen er meer land in cultuur kon worden gebracht. Op weg naar Tsjerkebuorren, zicht op Gerbada (ca. 1957). In Easterwierrum gold dat niet alleen het bestaande land, dat beter ontwaterd en ontgonnen kon worden, maar ook veel nieuw land, dat ingepolderd werd uit wat als Middelzee bekend staat.De verplaatsing valt, gezien ook de hoge erven van deze boerderij en van die ernaast (vanouds stem 4), op ongeveer 1200 te dateren.
De oude naam van het erf is Gerbada. Die is ontstaan als verkortende aanduiding van Gerbada goed. Het is een genitief van Gerbad, een mansnaam. Of het een genitief meervoud of een genitief enkelvoud is, valt moeilijk uit te maken. In het ene geval betekent Gerbada goed het goed van Gerbad, in het andere het goed van de Gerbada’s. Maar ook als het meervoud zou zijn, gaat de naam terug op Gerbad. Wanneer die Gerbad leefde, is niet te zeggen, maar zeker al eeuwen voor de eerste vermelding van Gerbada. De naam Gerbad is uiterst zeldzaam en moet tenslotte volslagen onbekend geworden zijn, waardoor Gerbada Gerbranda kon worden.

De geschiedenis van huis en erf is door de eeuwen heen vrij goed te volgen. Onderzoek in familie-­archieven, proclamatieboeken en notariële archieven zal ongetwijfeld nog nadere bijzonderheden aan het licht kunnen brengen. We laten die geschiedenis hier meteen chronologisch geordend volgen, maar beginnen met een samenvattende interpretatie van de feiten. Die beginnen in 1431. En daar weer aan vooraf vragen we ons af hoe de situatie omstreeks 1200 is geweest. We kunnen daar iets over zeggen op grond van eigendom en ligging van dit en andere erven op dezelfde terp. Op die terp liggen ook nog de boerderij van de pastorie (vanouds stem 2) en een boerderij die tot 1580 van het klooster Lidlum was (vanouds stem 4).
Gerbada was in de vijftiende eeuw het grootste van de drie. Er is daarom geen twijfel mogelijk dat de kerk gesticht is uit bezit van Gerbada. Dat zal rond 1200 geweest zijn. Maar ook de kloosterboerderij moet wel een schenking uit het Gerbada bezit geweest zijn, want andere kandidaten zijn er immers op de terp niet meer, of het zou het veel kleinere Hania moeten zijn (vanouds stem 3). Die schenking valt op grond van zijn forse omvang op dezelfde of iets later tijd, maar niet na 1300 te dateren.2 Zo opent zich het perspectief van een terp die ooit in zijn geheel eigendom van de Gerbada’s of hun rechtsvoorgangers is geweest. Zulke terpen moeten er veel geweest zijn.
Tot in de tweede helft van de vijftiende eeuw was Gerbada een groot goed met veel land, met name op het Nieuwland. Toen werd het in drie boerderijen gesplitst. In 1530 werd er op het oude erf een nieuwe state gebouwd, met poort en grachten. Die state zal één geweest zijn met het gebouw van de boerderij. De oude stins op zijn wier bestond toen nog, maar niet voor lang meer. Na 1550 wordt hij niet meer genoemd. De wier staat nog op de kaart van Schotanus-­Halma uit 1718. In de tweede helft van de zeventiende eeuw werd op zijn beurt de state afgebroken. Er woonde toen nog alleen een boer, totdat in 1753 een stedeling als hele verre nazaat van de Middeleeuwse bewoners een nieuwe buitenplaats bij of aan de boerderij liet bouwen. Het karakter van een herenboerderij is nog steeds bewaard gebleven, al wordt de herenkamer annex slaapvertrek al langer dan honderd jaar niet meer als zodanig gebruikt.
We zien dus dat aan de Middeleeuwse situatie van een groot adellijk bezit tegen het einde van de vijftiende eeuw een einde kwam. Het veranderde in niet meer dan een voorname boerderij, die in 1530 het uiterlijk kreeg van een state met gracht en poort. De tijd van de hoofdelingen, die heer en meester van dorp of buurschap waren, was met de komst van een provinciaal centraal gezag in 1498 voorbij. Als er niet veel landerijen meer bij waren, kwam zo’n state vroeg of laat in verval en werd hij afgebroken.
Toch kan men zeggen dat het uiterlijk bij alle veranderingen tot op de dag van vandaag in feite gebleven is als in de zestiende eeuw. Nog steeds is er de oprijlaan, het omgrachte erf en een boerderij met herenkamer. Adel woont er echter sinds het midden van de zeventiende eeuw niet meer en sinds 1785 is ook de familieband met de Middeleeuwse bewoners doorgesneden. Ook wonen er geen stedelingen meer die het huis als buiten gebruiken. Die functie heeft het gehad van 1753 tot in de latere negentiende eeuw.

Chronologisch overzicht

1433, 1441

Gerbada wordt voor het eerst vermeld in 1433. Dan is het eigendom van Sydze of Sirds Gerbada en Lyuwa Gerbada. In 1441 wordt het verdeeld tussen Sytse, Lyuwe en Eesge (Hettes Heringa) te Mantgum. Eesge zal getrouwd geweest zijn met een zuster van Sytse en Lyuwe.3

1466

Gerbada omvat stins, stee en staten en is 100 p.m. groot. Eigenaar en bewoner Wigle Riencks Camstra bezit het goed in zijn geheel. Het moet dus tussen 1461 en 1499 weer in één hand gekomen zijn. Hij was getrouwd met Eelck Heringa.4
Een enkel woord ter toelichting op de omschrijving van het goed. Een stins (van Ofr. steenhûs) is het woonhuis van de adellijke eigenaar, stee is het erf en staten zijn de landerijen die (in tegenstelling tot de losse, verspreid liggende landen) bijeen liggen rond het huis. In later tijd, zo rond 1500, werd staten in die betekenis niet meer begrepen en werd het state, dat is voorname boerderij. De naam stins verdwijnt dan. Oorspronkelijk was een stins alleen een verdedigingstoren op een wier, later werd er woonruimte bijgebouwd. Op de kaart van Baarderadeel in de atlas van Schotanus-Halma uit 1718 staat in de zuidwestelijke hoek van het erf, daar waar de singel een bocht naar de kerk toe maakt, nog een hoge wier getekend.

1499

Sasker, die zich Heringa noemt, erft van zijn vader, Wigle Camstra:

to forndel dyo stata mey dat timmert, ende deerto XV pondameten notfestigher landen ende fyf pondameta reydland ende fyf pondameta in da Haeghera Boezyl ende dy dickstal mey trira pondameta, lidzende in dae Fiaerndelen.5

Sasker woont niet op Gerbada, maar op Asinga in Marssum, dat hij in 1473 van zijn grootmoeder Yde Heringa uit Rauwerd had geërfd. Asinga of later Heringa, is het tegenwoordige Poptaslot. Gerbada is dus niet langer het stamslot van de familie. Wel blijft het nog lang in de familie. Gerbada is tussen 1466 en 1499 kennelijk gesplitst in twee of meer boerderijen. Het was immers in 1466 nog honderd pondemaat en nu in 1499 nog maar 28. Splitsing is op de klei een algemeen patroon in de tijd tot ongeveer 1610, gevolg van betere ontwatering en stijgende landbouwprijzen.
Waarschijnlijk is de boerderij op het Nieuwland tegenover de laan naar Gerbada ervan afgesplitst. De weduwe van Sasker Heringa, Tyets Saskers, bezit samen met haar zwager Sybrant Agga zn (Heerma) in 1511 namelijk een boerderij van 45 p.m. op het Nieuwland. Sijbrant Agges heeft daarnaast nog een boerderij met veel nieuwland, maar toch ook bouwland en ander oudland. Het zal hier om een andere afgesplitste boerderij gaan.6 De boerderij tegenover de laan is het tegenwoordige Tsjerkebuorren 6 (vanouds stem 6),7 de andere waarschijnlijk Tsjerkebuorren 3 (vanouds stem 7). Het oude Gerbada was dus na 1499 niet veel meer dan één enkele, vrij kleine boerderij, maar het bleef wel zijn bijzondere status behouden, want het werd bestemd tot een forndeel. Een forndeel (letterlijk: voordeel) werd ingesteld om het als stamslot van de familie te kunnen laten voortbestaan.
De Hogere Boe-­zijl en de Dijkstal, die in de Vierendelen lag, moeten op het Nieuwland gezocht worden. Het zal wel gaan om het land dat in 1700 op twee plekken een eindweegs het Nieuwland in lag.8 De Dijkstal moet dan de waterkering zijn, die parallel aan de Hegedyk halverwege de Zwette ligt. Achter die waterkering ligt het land verspreid over de diverse eigenaren van boerderijen op Tsjerkebuorren. Dat is een teken dat het daar gaat om een meenschar, wat trouwens ook blijkt uit de vermeldingen van een meenschar in het Beneficiaalboek (1543).9 Meenscharren werden laat gemaaid en daarna gebruikt voor beweiding door jongvee.

1510

Sasker Heeryngha te Marssum vermaakt aan zijn jongste zoon Haring ”dae state to Aesterwyrum, hietende Garbaeda, toe forndel.” 10

1511

Abba Saskers (Heringa) bezit of huurt:
18 pondemaeten fenne, 8 pondematen meden binne dickstael myt moenkalant ende 16 ½ pondematen nylants meden uur heech ende leech ende sex pondematen oldlants meden, den heer 2 philippus gulden ende ses pondematen seedlant. Over hoog en laag betekent dat het land onafgescheiden van land van anderen ligt. Het meenschar is er kennelijk nog steeds.12

1530

Het huis krijgt een (nieuwe?) poort, die rond 1750 werd afgebroken.13 Het zal zelf toen ook zijn vernieuwd, mogelijk ook wel geheel nieuw gebouwd (zie op 1550). Ik neem aan dat het toen geen afzonderlijk huis meer was, maar een voornaam voorhuis van een boerderij.
Het zal gebouwd zijn door Abbe Saskers.14

1543

Douwe Martenszn. gebruiker, dat wil zeggen: boer.15 Het is de vraag of de eigenaar er toen wel woonde.

1550

Volgens het testament van Hessel Boythiema/ Bootsma, getrouwd met His, dochter van Abbe Saskers Heringa, en wonende in Kollum,16 krijgt zoon Douwe Garbaeda saete, waar hij nu op woont, ”met heth huys datter up staet, met graft, heem, stins ende steen die aent voirs. huys es, mettet gene als ick met Mary, myn huysfrou, daeraen vertimmert ende te coste gedaen hebben” plus ook land, in gebruik bij Douwe Martenszn. en nog een kleine zate waar Here woont. Die laatste is bewandeld – dat is geruild – met een sate van Jorrit Janszn (Fogelsang?). Ook krijgt hij nog een deel van de fenne, die gekocht is van het convent Monickebayum.17
Douwe overleed in 1562. Hij en zijn vrouw Foockel van Harinxma waren er in 1548 komen wonen, toen ze trouwden.18 Hun dochter Jel trouwde in 1582 met Hobbe van Waltinga uit Herbayum, die daar op Sickema woonde. Zij overleed jong en zal, net als haar echtgenoot, begraven zijn in de grafkelder van de familie in Herbayum.19

1626

De poort heeft een gemak boven de gracht.20 Het huis wordt bewoond door de officier Tjaard van Walta, die in 1624 getrouwd was met Foockel van Waltinga, kleindochter van Douwe van Bootsma. Zij zijn verhuisd naar Sickema-­state in Herbayum, waar ze in ieder geval in 1646 al wonen.21 Het huis zal daarna zijn vervallen en afgebroken. Burmania meldt in ieder geval rond 1760 dat het al lang was afgebroken.22 Tjaards geslacht stierf met de dood van zijn zoon Sybrand van Walta in 1673 uit. Of die er nog gewoond heeft, lijkt twijfelachtig. Hij en zijn vrouw Franscke van Doyum vormden het stralend middelpunt van cultureel Leeuwarden. In 1652 kochten ze Hettingastate (of Roodhuis) in Jorwert. Misschien hebben ze daar ’s zomers gewoond. Easterwierrum lag ook wel wat ver weg van de hoofdstad.23
Er wordt wel eens gedacht dat staten en stinzen pas in de negentiende eeuw op grote schaal werden verlaten en afgebroken,24 maar dat is een doorgaand proces geweest. Als er geen bewoners meer waren, vervielen ze vroeger of later. Als het om een stamslot ging, werden ze lang bewaard, maar de meeste staten kwamen door vererving in handen van steeds minder families en die lieten ze afbreken als er geen familieleden meer waren om ze te bewonen. Alleen als ze in een fidei commis(of: forndeel) waren ondergebracht, moesten ze wel blijven gehandhaafd, tenminste voor zolang er andere takken waren die bij afbraak hun rechten konden laten gelden. Voor Gerbada waren die er kennelijk niet meer. Omdat de meeste staten net als Gerbada nieuw gebouwd waren in de eerste helft van de zestiende eeuw, waren ze aan het eind van de zeventiende eeuw aan groot onderhoud toe. Dat was ook een reden om ze toen of wat later, in de achttiende eeuw, af te breken. Sickema in Herbayum vererfde op Gratiana Florentina van Loo, die in 1690 trouwde met de Leeuwarder advocaat dr. P.H. Petraeus. Zij was een kleindochter van Foockel van Waltinga. Zij erfde ook Gerbada en zij zal het dan ook geweest zijn die de rechten van herenbank en grafkelder in de kerk van Herbayum overdroeg op Gerbada.25 Naar de reden ervan valt alleen maar te gissen.

1698

Advocaat dr. P.H. Petraeus uit Leeuwarden is namens zijn vrouw Gratiana Florentina van Loo eigenaar van de boerderij, Melle Jenties is gebruiker.26

1748

Eigenaar is nog steeds de weduwe van dr. Petraeus, gebruiker van de boerderij Folkert Clasen.Ds. Phoceas Noordbeek, predikant in Oosterwierum, wordt in de speciekohieren van 1748 en volgende jaren onder hetzelfde nummer als de boerderij vermeld, wat erop lijkt te duiden dat hij een deel van de boerderij of een ander huis op het erf bewoonde. Dat zou dan betekenen dat hij niet in de pastorie woonde, wat toch onwaarschijnlijk lijkt. De pastorie stond overigens vlakbij. We moeten daarom gissen naar de reden waarom hij onder één nummer met de boer op Gerbada is gebracht. Wel was hij eigenaar van een deel van Gerbada. Zijn vader was namelijk gehuwd geweest met een dochter van Petraeus, Maria Rosa.27

1753

Er is een ’nieuwe buitenplaats’ gebouwd. Hij werd gemaakt van de oude poort uit 1530.28 Bouwers en bewoners worden Rudolphus J. Noordbeek uit Leeuwarden en zijn gezin.29 De nieuwe bewoner wordt tussen 1758 en 1768 voor de helft en in de volgende tien jaar eigenaar van de gehele boerderij. Bij zijn keuze om buiten te gaan wonen, heeft wellicht naast andere factoren als de lust in het buitenleven, ook meegespeeld dat hij nog uit de familie was die eeuwenlang eigenaar van de state was geweest. Noordbeek was een zoon van ds. Phoceas Noordbeek en dus nog een rechtstreekse afstammeling van het oudst bekende geslacht op Gerbada! Men zou denken dat hij dat geweten heeft.
De nieuwe buitenplaats was kennelijk iets nieuws naast de boerderij, want die bleef gewoon bestaan. Het zou echter ook kunnen zijn dat het hier gaat om een nieuw voorhuis van de boerderij, waarin dan heer en boer afzonderlijk woonden.
Noordbeek was van 1746 tot 1757 uitgever en boekhandelaar in Leeuwarden 30 en gaf onder meer werk van de bekende hovenier en plantkundige J.H. Knoop uit, waaronder de Beknopte huishoudelijke hovenier, of korte verhandeling en synonymische of meernamige lijsten van alle de soorten der ooft-­vrugten, als appelen, peeren, kersen, pruimen, persiken & mitsgaders van de soorten der oranje­, citroen­, en limoen bomen. Insgelijks van alle de boom-­ en heesteragtige plantagie-­gewassen, welke tot beplanting van tuinen en bosschen dienen. Alsmede van alle keuken-­gewassen, en van de veldt-­vrugten, & waar bij over al de natuurlijke groei­plaats, cultuure, en het gebruik dat deselve in de huishouding hebben, en in het kort dog klaarlijk aangewesen is. Het boek verscheen eind 1752. Waarschijnlijk heeft Noordbeek daarom bij de aanleg van zijn ”twee Vrugtbare Hovingen en thuinen” meteen gebruik gemaakt van de kennis van Knoop. Er is zelfs alle kans dat Knoop zelf ze heeft aangelegd. Het is in ieder geval bekend dat hij tuinen ontwierp en aanlegde. Daarvoor had regentes Maria Louise hem zelfs naar Friesland gehaald. Zij kende hem van haar ouderlijk slot in Kassel, waar zijn vader hovenier was. Zo richtte hij in 1731 de Prinsentuin in Leeuwarden nieuw in en legde hij de sier-, moes­ en oofttuinen bij haar buiten Marienburg aan Achter de Hoven in de stad aan. Vermoedelijk heeft hij voor stadhouder Willem IV ook gewerkt aan de herinrichting van zijn buiten in Oranjewoud en zeker is dat hij als tuinarchitect is opgetreden bij Staniastate in Oenkerk.31 Op de boerderij woonden in de tijd van Noordbeek Folkert Clasen, later Jentje Willems en anderen, onder wie sinds 1773 Tjerk Douwes.32

1764

Verkoop van 60 essen en abelen op de opreed van Gerbadastate te Oosterwierum.33 Er staan nog steeds abelen op de singel!

1785

De eigenaar-­bewoner R.J. Noordbeek overlijdt in 1784 en wordt opgevolgd door J.W. Noordbeek, maar de erven gaan het volgende jaar failliet. Noordbeek vertrekt naar Weidum, maar het volgende jaar is hij al buiten de provincie.34 Het huis wordt dan verkocht. In de Leeuwarder Courant van 26­3-­1785 wordt ermee geadverteerd:

Te koop eene deftige beknopte en plaisante Heeren Huizinge, met twee Vrugtbare Hovingen en thuinen met de daartoe behorende Zingels en Gragten, Gerbrada Staate genaamd.

Ook wordt de boerderij verkocht buiten de landerijen en de beide eeuwige renten in boerderijen te Jellum en Friens -­ bestaande uit een ”hornleger, huis, schuur en hofke, te zamen groot 9 en een tweede pondemate.”
Dat is opvallend groot, veel groter dan het bestaande erf. Waarschijnlijk is het één geweest met een aansluitend deel van de terp. Bij de boerderij, niet bij het landhuis dus, behoorde nog een gestoelte met een grafkelder in de kerk van Herbayum. Rechten, ook heerlijke rechten, waren vanouds niet verbonden aan het huis, maar aan de grond. Het huis was secundair ten opzichte van de grond. Koper wordt de secretaris van de grietenij Baarderadeel, Abelus Wiarda, die in Oosterlittens woont. Met hem als nieuwe eigenaar verdwijnt na vele eeuwen, ja zelfs misschien wel voor het eerst sinds de stichting in een grijs verleden, de familieband van de eigenaars met Gerbada. Wiarda verhuurt het huis. Aanvankelijk wordt het dan in tweeën bewoond, sinds 1792 in drieën. Sommige bewoners worden bedeeld. Het huis zal in verval geraakt zijn.35

1819

Het huis wordt afgebroken, samen met de boerderij waarschijnlijk. Ervoor in de plaats komtde nog bestaande boerderij met herenkamer en eigen slaapplaats voor de heer. Wie dat was, is niet duidelijk. Eigenaar was in 1819 nog Sible Cats, die het had geërfd door zijn huwelijk met een inmiddels overleden dochter van Wiarda, Riemke Lunia van Wiarda. Maar terwijl de eerste steen werd gelegd door de beide dochters van zijn zoon Jentje en diens vrouw Froukje Pieters, te weten Riemke Lunia Cats en Baukje Cats, waren niet zij in 1832 eigenaar, maar schoonzoon mr. Gerrit Nicolaas Mulier en diens vrouw Petronella Catharina Cats.36 De gevelsteen die herinnert aan de eerste steenlegging, zit nog op zijn plaats in de voorgevel van het huis. Op de kadastrale minuut van 1832 ligt het erf met zijn boomgaard omsloten door een gracht binnen singels. Alleen aan de achterkant richting kerk ontbreekt een singel. Ook de opweg naar de Hogedijk is eigendom van Mulier. De boerderij blijft nog tot 1926 in de familie. Dan zijn de erven van mevrouw Bienema-Mulier eigenaar.37 Zij was de tweede vrouw van Epke Roos van Bienema. Die was eigenaar geworden door zijn huwelijk in 1836 met Riemke Lunia Cats. Of de herenkamer annex slaapkamer ook helemaal tot 1926 is gebruikt, is niet bekend.

1863

”Te koop op de Zathe Gerbranda­State, bij Jacob A. Sijperda in huur, eene partij esschen, populieren en kastanje-boomen, gedeeltelijk gerooid.”38 Zeker die kastanjebomen zullen wel geplant zijn in 1752.

1864

Gerbranda krijgt recht van bepoldering van het Zuidschillaarder laagland.39

1906

”Te huur voor 5 jaar (1907-­1912) zathe en landen, Gerbranda state, bestaande in huizinge, schuur, singel, hovinge en onderscheidene perceelen weiland, in huur bij P.H. Zijlstra, groot 37.00.70 ha.”40

1926

”Te koop boerehuizinge, groote schuur (stalling voor 46 hoornbeesten, 1 stier en 2 paarden), wagenhuis, erf, boomgaard en iester c.a. en diverse perceelen uitmuntend greidland, deel uitmakend van de sate en landen Gerbranda State, in huur bij A.D. Schuurmans,”41 die de boerderij koopt.

Ca. 1970-­1981

Omstreeks 1970 overleed Bonne Meintema, die getrouwd was met een Schuurmans. De boerderij wordt verkocht en valt in stukken uiteen. Bij het huis blijft geen land en het raakt in verschillende handen, tot het in 1981 wordt gekocht door de tegenwoordige bewoners, de familie Ockers-Schipper.

1 Dit stuk is ontstaan en toen ook uitgewerkt in het Nederlands. Vertaling in het Fries zou teveel tijd kosten.
2 Datering van Hans Mol (vriendelijke mededeling).
3 Sipma, OFO I nrs. 61, 84, 124;;Kuiken e.a., Van Fûgelsang tot Foghelsanghstate 20. Over een zoen uit 1329 tussen de Heringa’s en de Sewerda’s, waarvan niet duidelijk is of die mogelijk mede betrekking heeft op Gerbada: Sipma OFO I nr. 1.
4 Sipma OFO III, nr. 6;; Verhoeven en Mol, Friese testamenten, nr. 58;;Kuiken e.a., Van Fûgelsang tot Foghelsanghstate 20.
5 Verhoeven en Mol, Friese testamenten, nr. 58.
6 Overdiep en Tjessinga, Register van de Aanbreng Baerderadeel nr. 2088;; grafzerk Zweins van Sijbrant van Heerma en Auck Wigles Camstra;; De Walle, Friezen uit vroeger eeuwen, nr. 7106.
7 Bij testament vermaakt Tyets de boerderij bij de laan aan haar zoon Haring. (Mol/Verhoeven, Friese testamenten, nr. 104).
8 Zie het kaartje van Easterwierrum in de Prekadastrale atlas dl. 5, Baarderadeel, van Mol e.a.
9 Zie Spahr van der Hoek in Baerderadiel, in geakunde, blz. 167-­173.
10 Mol/Verhoeven, Friese testamenten, nr. 80. Toch wordt Haring geen eigenaar. Dat blijkt in 1511 zijn broer Abbe te zijn.
11 Overdiep en Tjessinga, Register van de Aanbreng Baerderadeel nr. 2098;; Sipma OFO II nr. 244. De boerderij is dus groter geworden, zij het dat een deel gehuurd wordt . In 1580 is Gerbada 51 pondemaat, waaronder 33 p.m. nieuwland en 5 p.m. rietland (Rau K1, Tresoar).
12Waarschijnlijk is het pas in de loop van de zeventiende eeuw definitief verdeeld.
13 E.M. van Burmania, 377 Hs, Tresoar.
14 Waar hij begraven is, weet ik niet, maar waarschijnlijk toch wel in Easterwierrum.
15 Benificiaalboek 363;; ook in 1550 (zie hierna).
16 Verhoeven en Mol, Friese testamenten, blz. 536 en 538.
17 Verhoeven en Mol, Friese testamenten nr. 211. Monnikebaijum is het vrouwenklooster van het klooster Lidlum te Sexbierum.
18 In de toren ligt de grafzerk van de jonge Hessel van Bootsma, die stierf toen hij vijf jaar was. Het jaar is niet meer te lezen (De Walle a.w., nr.5112). Of de ouders ook begraven zijn in Easterwierrum, is mij niet bekend.
19 Website Genealogie Bootsma;; Stamboek van den Frieschen adel.
20 De gracht wordt in 8 dagen en een schoft (dat is eenderde dag) voor 5 car. g. geslat door Pieter Scheltes, per dag dus voor 12 stuivers (Rau K1, Tresoar).
21 Rau K1, Tresoar.
22 E.M. van Burmania, 377 Hs, Tresoar.
23 Breuker, Vrouwelijke kunstenaars en hun kringen in het midden van de zeventiende eeuw, in: Veerle Mans e.a., Margareta de Heer, 42-­43.
24 Zie Yme Kuiper in zijn hoofdstuk: De state verdwijnt uit het dorp, in D. Kooistra e.a. (red.), Frieslands verleden, 2008.25 Stemkohier Herbayum 1698;; site Genealogie Van Loo.
26 Stemkohier Oosterwierum 1698.
27 Website genealogie Dijkshoorn. Ds. Phoceas stond in Oosterwierum van 1739 tot hij in 1773 een beroerte kreeg. Hij overleed in 1776 in Nijland (Romein, Naamlijst).
28 E.M. van Burmania, 377 Hs, Tresoar.
29 Speciekohieren, GA Littenseradiel, Wommels;; website Tresoar, voorouders.
30 Hoekema e.a., Eekhoff en zijn werk.
31 Karstkarel in Caert-­thresoor 1983.
32 Speciekohieren.
33 Wumkes, Stads-­ en Dorpskroniek I, 200;; 30 januari.
34 Speciekohieren, personele kohieren, GA Littenseradiel.
35 Speciekohieren.
36 Kadastrale minuut, te raadplegen op www.hisgis.
37 Kopie niet gedateerde kaart bij onbekende verkoop uit een verkoopboekje van een boerderij ernaast (part. bezit).
38 Leeuwarder Courant 20­2-1863.
39 Not. Archief 78.083. nr. 206; Tresoar.
40 Leeuwarder Courant 7­9-1906.
41 Leeuwarder Courant 11­12-1926.

Philippus Breuker, Klaaikluten, december 2008, nr.3, side 17-21

Klik hier om te reageren op dit item.

Afbeelding(en)

klik op de afbeelding(en) voor een vergroting

Op weg naar Tsjerkebuorren, zicht op Gerbada (ca. 1957)

Op weg naar Tsjerkebuorren, zicht op Gerbada (ca. 1957)

Een plaat uit “De Beschouwende en werkdadige Hoveniers Konst” (1753).

Een plaat uit “De Beschouwende en werkdadige Hoveniers Konst” (1753).

Wandbetimmering in de herenkamer (dat is de opkamer).

Wandbetimmering in de herenkamer (dat is de opkamer).